Help je leraren aan een sterke start

Article type
Interview
Publicatiedatum

Startende leraren goed begeleiden, hoe doe je dat? Deze vraag staat centraal in het werk van Karin Wessel, schoolopleider bij SPO Utrecht. “Het begint bij je houding als schoolorganisatie: neem starters serieus.” 

Goede, betrokken leraren zijn goud waard. Dat beseffen schoolbesturen steeds beter. De laatste jaren is de begeleiding van startende leraren toegenomen, blijkt uit cijfers van het ministerie van OCW. Scholen bieden individuele begeleiding en organiseren vaker thema- en intervisiebijeenkomsten. “Ook lijken de opleidingen studenten beter voor te bereiden op het lerarenberoep door onder andere tijdige stages te organiseren”, zegt Karin Wessel, sinds 2016 schoolopleider bij SPO Utrecht, een stichting voor 38 openbare scholen. Ze regelt onder meer de begeleiding voor startende leraren en is begeleider van invallers.

De extra aandacht voor startende leraren heeft geleid tot een halvering van de uitval. Door een goede start  krijgen leraren meer vertrouwen in zichzelf. Ze voelen zich meer betrokken bij de organisatie en zijn enthousiaster over hun werk, benadrukt onderzoeker Marco Snoek in zijn werk. En die betrokken leraren leveren betere schoolresultaten op. De werksfeer is beter en je krijgt een hechter team. Maar ook met het oog op het lerarentekort is goede begeleiding van nieuwe leraren onmisbaar: als een leraar besluit te stoppen, staat er niet zomaar een nieuwe klaar.

 

Karin Wessel

“Ondanks de vorderingen in afgelopen jaren zijn we zijn er nog niet”, zegt Wessel, die zelf twintig jaar voor de klas stond en nu als schoolopleider nieuwe collega’s begeleidt. Ze dook enkele jaren geleden de literatuur in om meer zicht te krijgen op hoe je als schoolorganisatie kunt bijdragen aan een goede start van je leraren. Hoe zorg je dat ze goed hun plek vinden en voor je blijven werken?

Het antwoord moet vooral gezocht worden in een ‘totaalaanpak’. Wessel: “Neem als schoolorganisatie de begeleiding aan startende leraren serieus, maak uren vrij voor coaching en leeractiviteiten, en zorg ook dat je starters de ruimte krijgen om thuis te geraken in de organisatie.”

In 2014 is ook in de cao vastgelegd dat scholen beginnende leraren drie jaar begeleiding bieden volgens een persoonlijk ontwikkelplan. Wessel: “In die jaren kan de vorm en intensiteit van de begeleiding variëren, maar de boodschap is helder: je hebt als schoolorganisatie een verantwoordelijkheid als het gaat om de vraag of je starters wel of niet slagen in hun nieuwe baan.”

In je werk spreek je vrijwel dagelijks met startende leraren. Waar lopen ze vooral tegenaan?

“Orde houden blijft de grootste uitdaging voor beginners. Dat is niet vreemd, want startende leraren hebben er meestal niet eerder mee geoefend. Orde houden, dus de leiding nemen én geven, vormt de basis van goed onderwijs. Als die basis ontbreekt, kun je de rest van je les vergeten.

Om duidelijke grenzen te kunnen stellen, moet je weten waar je grenzen als professional liggen. Maar dat weten de meeste beginners juist nog niet zo goed. Dat kun je immers niet leren uit boeken of tijdens stages, maar moet je proefondervindelijk ontdekken door langere tijd zelfstandig voor de klas te staan.

Onze starters komen vaak gaandeweg tot de conclusie dat ze de grenzen als professional éérder moeten trekken dan ze als persoon zouden doen. In het begin wachten ze bijvoorbeeld soms te lang als ze merken dat het te luidruchtig wordt of een kind zich te uitgelaten gedraagt.

Verder kost het startende leraren tijd om thuis te geraken in de organisatie en de cultuur binnen het team. Je bent toch de nieuweling. Alles moet je nog vragen, van waar de nietmachines staan tot wanneer je een leerling naar de intern begeleider doorverwijst. Je kent de weg niet. Hoewel collega’s doorgaans heel bereidwillig zijn om te helpen, hebben ze vaak maar weinig tijd. Hulp bij praktische zaken lukt nog wel, zoals inlogcodes geven en de werking van de koffiemachine uitleggen. Maar een inhoudelijk gesprek over bijvoorbeeld didactische vaardigheden komt er meestal niet van.”

Hoe ondersteunen jullie als organisatie de startende leraren?

“Elke starter krijgt een begeleider, die gemiddeld één keer per maand op klassenbezoek komt. Achteraf bespreekt de begeleider met de leraar hoe het ging en wat er beter kan. De begeleider spreekt ook af met de starters als het lesgeven al tijden probleemloos gaat: we willen niet alleen dat ze goed lesgeven, maar ook begrijpen waardoor dit komt, zodat ze sommige vaardigheden en technieken bewust kunnen gaan inzetten.

Tijdens de gesprekken vormen de richtlijnen van de school een belangrijk houvast. Deze richtlijnen beschrijven wat de school van leerkrachten verwacht en zijn afgeleid van de bekwaamheidseisen zoals geformuleerd door de Stichting Beroepskwaliteit Leraren.

Daarnaast krijgt elke starter een ‘maatje’. Dat is meestal een duo-collega of andere betrokken leerkracht bij wie de starter terecht kan om even te sparren. Gewoonlijk kan dit ook, maar we hebben gemerkt dat het sommige starters helpt als dit ook geformaliseerd is.”

Naast individuele begeleiding nemen de startende leraren ook deel aan intervisiegesprekken. Wat houdt dat in?

“Drie keer per jaar vinden er bovenschools intervisiegesprekken plaats, en daarnaast vaak ook binnen de school. De starters vinden die sessies over het algemeen heel waardevol. Ze presenteren allemaal een casus en kiezen er gezamenlijk één uit om dieper in te duiken. Hoe ga je om met ouders die verhaal komen halen? Wat doe je met een kind dat maar blijft praten tijdens jouw instructies? De casussen lopen sterk uiteen, maar zijn vaak voor iedereen herkenbaar.

Dankzij die intervisiesessies krijgen de starters niet alleen meer grip op hun werk, maar leren ze elkaar ook beter kennen. Ze voelen zich meer met de school verbonden en raken enthousiaster over wat ze doen, weten we uit evaluaties.

Ook organiseren we als stichting geregeld bijeenkomsten binnen ons eigen trainingscentrum, de SPO Academie, over thema’s waarvan we merken dat ze leven onder onze starters, zoals een lezing over speciale onderwijsbehoeften of een workshop over communiceren met ouders.”

Jullie starters bestaan voor een deel uit zij-instromers. Hebben zij andere ondersteuning nodig?

“Absoluut. Zij-instromers komen met andere kennis en vaardigheden je school binnen dan leerkrachten die net van de pabo komen. De meesten staan vanaf de eerste dag voor de klas. Ze weten dan vaak nog weinig van didactiek en pedagogiek. Hun begeleiding is vooral die eerste periode intensiever. De begeleider kan er niet acht uur per dag naast staan natuurlijk, maar spreekt wel minstens één keer per week met de zij-instromer af.”

Wat kunnen startende leraren naar jouw idee zelf doen om goed ‘te landen’?

“Starters vinden soms dat ze alles al moeten kunnen, terwijl de inkt op hun diploma vaak nog maar amper droog is. Ze zetten zichzelf hierdoor onnodig onder druk. Geen enkele leraar heeft het vak vanaf de eerste dag in de vingers. We hebben het allemaal geleidelijk aan moeten leren.

Ook merk ik soms dat ze zichzelf soms in het werk verliezen. Met onderwijs kun je dag en nacht bezig zijn. Je kunt eigenlijk niet zonder een bewuste scheiding tussen werk en privé.

Als we met elkaar spreken over zulke kwesties, merk ik dat ze dit verstandelijk wel snappen, maar gevoelsmatig blijft het soms lastig. Het verantwoordelijkheidsbesef is ontzettend groot. Ik moedig ze aan om zichzelf de tijd te gunnen om thuis te raken in het werk en het stap voor stap aan te pakken. Je hoeft niet alles tegelijkertijd te leren. Van de stichting krijgen ze de ruimte om in het werk te groeien. Gebruik die ruimte dan ook.”

Tips voor schoolbestuurders

  • Laat zien dat je de begeleiding van starters serieus neemt: formuleer schoolafspraken over de begeleiding, maak er uren voor vrij en zet leer- en ontwikkelactiviteiten op.
     
  • Bied een ‘totaalpakket’: niet alleen individuele begeleiding, met klassenbezoeken en nagesprekken, maar ook intervisiesessies, themabijeenkomsten of workshops. Wijs eventueel een ‘maatje’ aan, een betrokken collega met wie de starter kan sparren.
     
  • Maak onderscheid tussen verschillende groepen: zij-instromers hebben andere behoeften dan leerkrachten die net van de pabo komen.
     
  • Evalueer geregeld hoe het gaat. Leiden de begeleidingsactiviteiten nog tot het gewenste resultaat? Liggen er nog kansen voor verbetering?

Minder uitval

De uitval onder startende leraren neemt de laatste jaren af: in 2013 stopte bijna één op de vijf. In het eerste jaar na de lerarenopleiding, vijf jaar later, in 2018, was dat nog maar één op de tien. Meer starters krijgen begeleiding (87% in 2018 ten opzichte van 74% in 2013) en scholen zijn actiever geworden in het organiseren van thema- en intervisiebijeenkomsten voor hun nieuwe leraren.