‘Niet alleen kinderen hebben succeservaringen nodig, maar leerkrachten ook’

Article type
Interview
Publicatiedatum

Als je als school programmeren of computational thinking in het curriculum wilt opnemen, komt er heel wat op je af. Gelukkig geeft de nieuwe leerlijn programmeren scholen houvast. We spraken met Sandra Legters, die als coördinator Programmeertalen en Techniek bij stichting OPONOA meewerkte aan de ontwikkeling van lesmateriaal voor de leerlijn.

Scholen. Ouders. Kinderen. Vrijwel iedereen die met programmeren in aanraking komt, is enthousiast. “’O, we gaan weer programmeren, wat tof’, roepen kinderen steevast als ik op school kom voor gastlessen”, vertelt Legters. De vraag naar programmeerlessen en advies op het gebied van programmeren is groot. Zo groot dat Legters op dit moment de overstap waagt van coördinator bij OPONOA naar zelfstandig ondernemer op dit gebied.

Gelijke kansen voor elk kind

Legters vindt: “Programmeren is niet alleen leuk. Het bereidt kinderen ook beter voor op de toekomst. Zij krijgen straks in vrijwel elk beroep te maken met digitale toepassingen. Ik hoor wel zeggen: ‘programmeren op school, moet dat nou?’ Mijn antwoord: ik hoop dat álle kinderen op een gelijke manier worden voorbereid op de toekomst. Dat nu de ene school kinderen hierin uitgebreid lesgeeft, en de andere school niet: ik vind dat zorgwekkend. Soms kopen ouders ook programmeerlessen naschools in. Het resultaat? Een ongelijke start. De overheid heeft daarom een belangrijke rol in het zorgen voor gelijke kansen. Er moeten standaarden komen.”

Computational thinking versus programmeren

Zelf is Legters ervan overtuigd dat kinderen het meeste leren van programmeren als er eerst een basis wordt gelegd met computational thinking, een van de zogenaamde 21e eeuwse vaardigheden. Hierbij staan logisch denken en analytisch vermogen centraal. Leerlingen ontdekken bijvoorbeeld hoe zij een vraagstuk kunnen opdelen in logische stappen. Ze gaan ook patronen herkennen en algoritmes maken. Programmeren is slechts een onderdeel hiervan. “Met computational thinking kun je onderwijsdoelen veel breder formuleren en het anders oplossen dan alleen maar met knopjes”, zegt Legters.” “Ik adviseer scholen daarom om het eerst in de breedte (computational thinking) te trekken en dan daarna “pas” te gaan programmeren.”

Digitaalvaardige leraren

De leerlijn programmeren is in elk geval een stap in de goede richting, vindt Legters. Al sinds de start in mei 2016 is de leerlijn meer dan 10.000 keer door scholen geraadpleegd. Ook heeft Kennisnet een workshop computational thinking ontwikkeld voor leraren. Wat is dan nu nog de grootste valkuil? “Dat is toch dat veel leraren onvoldoende toegerust zijn om computational thinking en programmeren duurzaam in te bedden in het onderwijs. Dat is niet zo gek, want zelfs nu nog worden studenten hier niet op alle PABO’s goed op voorbereid. Of er worden wel vakken aangeboden, maar facultatief.” 

Investeren in scholing leraren

Een van de randvoorwaarden voor succes is daarom dat leraren geschoold worden, meent Legters. Er zijn al verschillende initiatieven op dit vlak, zoals DigiLeerKracht: een gratis landelijk scholingsprogramma op het gebied van digitale vaardigheden voor leerkrachten in het basisonderwijs. “Dat betekent wel dat leraren vrijgeroosterd moeten worden om hieraan tijd te kunnen besteden. Anders krijg je leraren die met de beste bedoelingen aan de slag gaan in de klas, maar de onderwijskundige kant niet kunnen belichten onder andere omdat ze de stof zelf onvoldoende beheersen. Niet alleen kinderen hebben succeservaringen nodig, maar leerkrachten ook.”