Noodplan Lerarentekort Amsterdam: “Grotere groepen en de inzet van andere professionals”

Article type
Interview
Publication date

Grotere groepen en meer ‘andersbevoegden’ voor de klas. Dat zijn enkele maatregelen uit het Noodplan Lerarentekort waarmee Amsterdam vanaf 1 augustus 2020 acute personeelstekorten probeert op te vangen. Om hun scholen te ondersteunen bij de uitvoering, ontwikkelden de Amsterdamse schoolbesturen een zogenaamde ‘routekaart’.

De komende vier jaar krijgen scholen in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht en Almere via de ‘Beleidsregel andere dag- en weekindeling op scholen in de G5’ meer ruimte om een schooldag of schoolweek op een nieuwe manier te organiseren. Om zo het lerarentekort aan te kunnen pakken. Bijvoorbeeld door de schooltijden op sommige dagen te verlengen. Of door onderwijsassistenten mee te laten draaien. 

Voor de zomer maakten de G5-steden ieder een eigen noodplan met maatregelen die vanaf schooljaar 2020/21 ingaan. De plannen zijn opgesteld door de scholen zelf, in samenwerking met de gemeente en in afstemming met het ministerie van OCW en de Onderwijsinspectie. Door het ministerie is in reactie daarop de eerder genoemde beleidsregel vastgesteld. Deze geeft besturen de ruimte om de plannen uit de voeren met de behulp van de inzet van ‘andersbevoegden’.  

Scenario’s noodplan Amsterdam

In het noodplan van Amsterdam staan drie scenario’s die scholen kunnen inzetten om het lerarentekort aan te pakken. Iedere school bepaalt zelf welk scenario het best past bij haar situatie:

  1. Groepen vergroten door klassen binnen één school samen te voegen. Hierbij krijgt de bevoegde leraar ondersteuning van een onderwijsassistent.
  2. Andere professionals inzetten die een deel van het curriculum op zich nemen gedurende de week, onder verantwoordelijkheid van een bevoegde leraar.
  3. Andere professionals inzetten die structureel een dag in de week een deel van het curriculum verzorgen, onder verantwoordelijkheid van een bevoegde leraar.

Doel van de routekaart

Hoe maak je als school goede keuzes binnen deze drie scenario’s? En met welke regels moet je rekening houden? Een speciale ‘routekaart’ met alle mogelijkheden binnen de beleidsregel en de landelijke wet- en regelgeving biedt uitkomst. “Met behulp hiervan kunnen scholen gemakkelijk een eigen plan maken”, vertelt Gernanda Schutte, directeur Onderwijs, Innovatie & Onderzoek bij de Amsterdamse Oecumenische Scholengroep (AMOS) en lid van de stuurgroep van het Noodplan Lerarentekort Amsterdam “We hebben geprobeerd om alle mogelijke vragen van scholen in de kaart te beantwoorden”.

De routekaart ondersteunt het keuzeproces

Scholen kunnen met de routekaart toetsen of ideeën en plannen binnen de beleidsregel en de landelijke wet- en regelgeving uitvoerbaar zijn. “Een driedaagse schoolweek is bijvoorbeeld niet mogelijk. Leerlingen moeten volgens de wet nog steeds vijf dagen per week naar school”, legt Schutte uit. “De routekaart is bedoeld als hulpmiddel en schrijft niet voor wat scholen precies moeten doen. We vinden het belangrijk dat zij er makkelijk mee kunnen werken en als gespreksleidraad kunnen gebruiken. Zowel online, in de vorm van een interactieve pdf, als op school in de vorm van een poster met losse kaartjes die meer uitleg geven.”

Startpunt voor ieder scenario

Per gekozen scenario geeft de routekaart antwoord op de volgende vragen:

  • Wat is toegestaan binnen de wet- en regelgeving?
  • Welke ruimte biedt de beleidsregel van OCW voor scholen in de G5?
  • Wat belooft het Noodplan Lerarentekort Amsterdam?
  • Welke stakeholders zijn betrokken?
  • Wat moet een school op financieel vlak regelen?

“We leiden scholen langs deze ‘stops’ op de route, zodat ze niets vergeten. Alle wet- en regelgeving die relevant zou kunnen zijn, hebben we erin gezet. Dat bespaart schoolbestuurders en kwaliteitsmedewerkers veel uitzoekwerk”, zegt Petronel van Leeuwen (AMOS), die als jurist betrokken is bij de totstandkoming van de routekaart. “Nadat een aantal scholen is begonnen, zullen er aanvullend nog ‘cocreatie kaarten’ komen. Dit zijn kaarten die scholen voor hun collega-scholen ontwerpen om hun ervaringen met het noodplan en de scenario’s te delen.”

Platform voor scholen en aanbieders

Een van de scenario’s in het noodplan van Amsterdam is de inzet van ‘anders bevoegden’ in het onderwijs. Er is nu een digitaal platform in de maak waar aanbieders van deze professionals en scholen aan elkaar gekoppeld worden. Schutte: Schooldirecteuren krijgen veel mailtjes van aanbieders van personeel, maar hebben geen tijd om zich daar goed in te verdiepen. Daarom onderzoeken wij welke bekwame aanbieders er zijn in de stad, wat zij precies te bieden hebben en of ze aan de beleidsregel voldoen. Geschikte aanbieders plaatsen wij op het platform, zodat scholen snel kunnen scannen en contact kunnen leggen.”

Hoe het er precies uit gaat zien, wordt in de loop van dit schooljaar pas duidelijk. “De projectleider van het platform brainstormt hierover met verschillende scholen. We willen het samen met hen ontwerpen, want zij kunnen zelf het beste aangeven waar behoefte aan is.”

Onderzoek effecten noodmaatregelen

Een onafhankelijk onderzoeksbureau zal de G5-scholen vier jaar volgen en monitoren en tegen het einde van de periode een rapport uitbrengen. “We zijn natuurlijk heel benieuwd hoe het gaat”, zegt Schutte. “Wat is het effect van de noodplannen op de onderwijskwaliteit, het lerarentekort, de kansengelijkheid, de werkdruk en de organisatie van het onderwijs? En geven de uitkomsten aanleiding voor het wijzigen van de wet- en regelgeving?”

Inzet van andersbevoegden: wat is mogelijk binnen de noodplannen?

Alle G5-steden hebben de inzet van ‘andere professionals’ in het onderwijs opgenomen in hun noodplannen. Het ministerie van OCW heeft dit mogelijk gemaakt via de Beleidsregel andere dag- en weekindeling op scholen in de G5.  Hierin staat dat scholen maximaal 22 uur per maand, dus een dag in de week, activiteiten mogen laten verzorgen door andere professionals dan bevoegde leraren.

Hester de la Parra, senior beleidsmedewerker lerarenbeleid van het ministerie van OCW, benadrukt dat vakken in het kerncurriculum altijd door een bevoegde leraar moeten worden gegeven. “Als een bevoegde leraar de instructie geeft, mag een ondersteuner wel met de leerlingen oefenen. Alleen bij overmacht, als er echt geen andere mogelijkheden zijn binnen de kaders van de wet, mogen onbevoegde professionals tijdelijk de instructie van bepaalde vakken buiten het kerncurriculum geven. Zoals voor muziek, drama, handenarbeid, kunst en wereldoriëntatie.”

“Mocht de inzet van een ‘niet bevoegde’ medewerker nodig zijn, dan bepaalt de schoolleider of het bestuur zijn of haar bekwaamheid en geschiktheid. Ook moet de medezeggenschapsraad achter deze keuze staan. Medewerkers die in opleiding zijn om hun bevoegdheid te halen, krijgen altijd de voorkeur.”

Wat is mogelijk binnen de huidige regels?

De noodmaatregel is specifiek gericht op de scholen in de G5-steden. Daarbuiten blijft de landelijke wet- en regelgeving van kracht. Onder bepaalde voorwaarden is het in sommige gevallen wel mogelijk om zonder bevoegdheid les te geven:

  • Leraren met een vo-bevoegdheid mogen lesgeven in het primair onderwijs als hun opleiding min of meer overeenkomt met het vak dat ze geven. Zo mag iemand met een vo-bevoegdheid wiskunde in het primair onderwijs rekenen geven.
  • Een leraar in opleiding mag lesgeven vanaf het moment dat hij of zij 180 studiepunten heeft behaald.
  • Pabo-studenten die al een hoger onderwijsdiploma hebben, komen ook in aanmerking wanneer zij op de pabo een aantal mijlpalen hebben behaald. Welke mijlpalen dit precies zijn, bijvoorbeeld het positief afronden van de eerste stage, wordt bepaald door de lerarenopleiding in overleg met het schoolbestuur dat de student aanneemt.

Onderwijsondersteunend personeel, zoals onderwijsassistenten, klassenassistenten en lerarenondersteuners, mogen volgens de wet niet zelfstandig lesgeven. Zij kunnen wel leerlingen begeleiden onder verantwoordelijkheid van de bevoegde leraar.  Deze leraar kan bijvoorbeeld een grotere groep begeleiden, maar de vakken buiten het kerncurriculum – zoals sport, kunst en muziek – overlaten aan de andersbevoegde.