Visie op onderwijs als basis voor portfolio

Article type
Interview
Publicatiedatum

Stichting Quadraten deed met twaalf scholen mee aan de innovatievraag. Hun vraag was ‘Hoe kunnen we een (digitaal) portfolio implementeren?’ Quadraten wil dat het nieuwe portfolio bijdraagt aan kernwaarden als talentontwikkeling van kinderen, het bieden van leerlinggericht onderwijs en het bevorderen van de samenwerking tussen de scholen. Jan van der Veen, BICT Onderwijs en Innovatie, legde de focus op het proces en minder op het portfolio. “Het gaat niet over het eindproduct, maar over wat de gevolgen zijn van een nieuwe manier van werken.”

Onderdeel van innovatievraag

Dit artikel is ook onderdeel van de innovatievraag:

Quadraten ontwikkelt een portfolio op basis van kernwaarden

Diverse scholen van Quadraten wilden ‘iets’ met gepersonaliseerd leren en meer eigenaarschap bij leerlingen. Van der Veen: “Binnen onze stichting hebben we veel kleine scholen en samenwerkingsscholen. Zeker voor een kleine school is het best lastig om een thema als dit met alleen je eigen team op te pakken. Door samen op te trekken kun je gebruikmaken van elkaars expertise en van elkaar leren. Daarom dienden we onze innovatievraag in.” Scholen die zich herkenden in de vraag sloten aan. Er werd een regiegroep gevormd met daarin drie directeuren en Van der Veen zelf. Externe procesbegeleiders begeleidden het traject.

Een andere manier van werken

In deze innovatievraag was het invoeren van een digitaal portfolio niet het einddoel. Een veelgemaakte fout bij innoveren is dat mensen te snel in de actiestand schieten, vindt Van der Veen. Daarom had de regiegroep tijdens de innovatievraag bewust veel aandacht voor het proces. “Mensen zijn al vrij snel geneigd om te denken: ‘Dit heb ik nodig, als je me daaraan helpt dan ben ik klaar’. Het probleem is dat ze dan vooral kijken naar het middel. Terwijl je in mijn optiek meer moet kijken naar wat er nodig is om een doel te bereiken. Een portfolio geeft je de mogelijkheid om meer leerlinggericht te werken en om te focussen op talentontwikkeling. Maar het betekent ook dat als je de vaste lijn van een methode loslaat, je als leraar een stuk vakinhoudelijke kennis moet inbrengen die je voorheen niet bewust nodig had. Als je kinderen presentaties laat maken in plaats van een toets, vraagt dat een andere manier van beoordelen.”

Verkenning

De deelnemende scholen startten het traject met een verkenning. Met behulp van diverse tools keken ze naar de visie en de doelen van het portfolio. Van der Veen: “Met behulp van de Kennisnet toolkit Verkenning Digitaal Portfolio hebben we vanuit het perspectief van de leraar, de leerling en de ouder naar portfolio-ontwikkeling gekeken. Het maakt duidelijk wat het betekent voor elke doelgroep en welke vragen je jezelf moet stellen. Daarna hebben we met behulp van het curriculaire spinnenweb (Van den Akker, red.) gekeken naar verschillende pedagogisch-didactische uitgangspunten in de onderwijssituatie en naar wat scholen daarin willen veranderen. Het veranderen van één draad van het spinnenweb heeft invloed op de andere draden. Als je bijvoorbeeld wil dat leerlingen meer eigenaarschap krijgen, betekent dat iets voor de manier van lesgeven. Scholen werden zich hierdoor bewuster van de onderlinge samenhang tussen de keuzes die ze maken.”

Netwerkleren

De volgende fase van het traject stond in het teken van netwerkleren: het leren met en van elkaar. Van der Veen: “Omdat we niet fysiek bij elkaar konden komen, werkten we volgens het principe van flipping the classroom. De procesbegeleider vulde voor iedere bijeenkomst de digitale omgeving met wetenschappelijk onderzoek en artikelen uit vakbladen en tijdens de bijeenkomsten gingen we hier inhoudelijk op in. We keken hoe we deze kennis kunnen vertalen naar ons eigen onderwijs en welke vaardigheden nodig zijn om met portfolio’s te werken. Ook hebben we met elkaar gekeken naar wat goed werkt, en waaróm dat goed werkt. Evidence-informed werken noemen we dat. Ik zie veel talentvolle leraren, van wie de kennis en kunde op dit moment bij henzelf blijft, terwijl het zo mooi zou zijn als die kennis wordt gedeeld. Ik hoop dan ook dat scholen meer gaan werken.”

Aan de slag

De komende maanden gaan de twaalf scholen de brede kennis die ze hebben opgedaan vertalen naar concrete stappen. Elke school heeft een route uitgestippeld en gaat zelf verder met de uitwerking daarvan en eventueel de implementatie van een fysiek of digitaal portfolio. De schoolleiders zijn verantwoordelijk voor het vervolg binnen hun eigen school. Een deel van het budget wordt ingezet om de kartrekkers binnen de scholen te faciliteren in uren voor de uitwerking, eventueel samen met externe partijen.

Terugblik

Van der Veen kijkt met een tevreden gevoel terug op het traject, ondanks de uitdagingen. “Natuurlijk was het soms ingewikkeld. Omdat alles digitaal moest, ontstond er ruis. Een aantal schoolleiders vond het niet snel genoeg gaan. Als regiegroep hebben wij toen in een online bijeenkomst met alle schoolleiders de kaarten op tafel gelegd. We hebben uitgelegd waarom die brede oriëntatie nodig was en waarom we het proces zo belangrijk vinden. We hebben ook niet voor niets voor netwerkleren gekozen. Dit veronderstelt dat je een duidelijke eigen inbreng hebt, je je eigen keuzes maakt en je zélf verantwoordelijk bent voor een deel van de invulling. We hebben geluisterd naar wat de schoolleiders moeilijk vonden en met de procesbegeleider gekeken wat we daaraan konden doen. Maar we hebben ook duidelijk gemaakt dat wanneer ze zelf op een andere manier met onderwijs om willen gaan, het ook aan henzélf is om in actie te komen. Het is nu eenmaal niet zo dat een externe partij een usb-stick met een blauwdruk voor het werken met een portfolio achter je oor kan doen. Na deze bijeenkomst was de lucht geklaard. De sfeer veranderde en was er meer wederzijds respect. Je ziet het ook terug in de enquête: met terugwerkende kracht zien scholen nu wel de waarde in van het uitgebreide traject.”