De school: maatschappelijk vastgoed voor een vitale gemeenschap

Article type
Interview
Publicatiedatum

Planmatig werken aan huisvesting, met een strategische blik op de toekomst. Dat is wat de PO-Raad schoolbesturen aanraadt. Hoe zetten we als sector stappen in die richting? We vragen het aan Bart de Grunt van het college van bestuur van Mijnplein. ‘Zie je gebouw als veel meer dan alleen een school.’

‘Zo’n vijftien jaar ben ik nu bezig met onderwijshuisvesting. Ik ben steeds meer naar onze gebouwen gaan kijken als maatschappelijk vastgoed. Dus de school als een van de belangrijke voorzieningen in een wijk of een dorp. Maatschappelijk vastgoed zijn de plekken waar mensen samenkomen en die functies hebben met een grote gemeenschappelijke waarde. Als je zo naar onderwijshuisvesting kijkt, vraag je je vanzelf steeds weer af: hoeveel belastinggeld krijgen we om aan goede schoolgebouwen uit te geven? Vertaald naar de sector als geheel, heb je het over miljarden euro’s aan boekwaarde. Ik vind dat we met z’n allen heel zorgvuldig verantwoording moeten afleggen hoe we daarmee omgaan.’
 

Bart de Grunt
Bart de Grunt

Al meteen aan het begin van het gesprek zet Bart de Grunt duidelijk neer waar hij staat. Mijnplein, de stichting waarvoor hij werkt, heeft scholen in Salland. Vaak vervullen die een cruciale functie voor de vitaliteit van de dorpen in deze regio. ‘Het is aan ons als schoolbestuurders om gemeenten goed uit te leggen hoe je het beschikbare geld voor schoolgebouwen kunt inzetten voor de hele gemeenschap. In onze regio zijn veel kleinere kernen, met bij wijze van spreken alleen nog een kroeg en een school. Onder onze stichting vallen 23 dorpsscholen, waaronder ook een heel aantal met zo’n 100 leerlingen. Gemeenten willen het liefst al die scholen openhouden, maar het is soms de vraag of en hoe dat het beste kan.’

Waarde voor een dorp

De Grunt is over dit soort maatschappelijke vragen voortdurend in gesprek. Als je het puur vanuit de bekostiging bekijkt, is het bijna per definitie inefficiënt een kleine school open te houden, legt hij uit. Per leerling omgerekend heb je het al snel over relatief veel gevel-, dak- en vloeroppervlak. Dat is in vierkante meters uitgedrukt een nogal dure investering. Maar juist daarom moet je tegenover de gemeente steeds benadrukken dat een school veel meer is dan een gebouw waar juffen en meesters een les draaien, aldus De Grunt. In het gesprek probeer je uitersten bij elkaar te brengen. Hij noemt een voorbeeld: hoe zorg je er samen voor dat een school met 82 leerlingen en 4,4 fte personeel, in een gebouw van 95 jaar oud met een isolatiewaarde van praktisch 0, toch duurzaam van waarde blijft voor de gemeenschap?

Zoiets kan alleen als je het gebouw als meer ziet dan een school, en er bijvoorbeeld een Integraal Kind Centrum (IKC) van maakt, licht De Grunt toe. Dus een organisatie met onderwijs, een kinderdagverblijf, buitenschoolse opvang, een peuterspeelzaal en welzijnsactiviteiten voor kinderen. Of in kleine gemeenschappen misschien gecombineerd met voorzieningen voor andere groepen, bijvoorbeeld ouderen. Dat vergt strategisch nadenken over je vastgoed, en over langere termijnen dan een paar jaar. Zeker voor de kleinere besturen kan dat razend lastig zijn, beseft De Grunt. ‘Na al die jaren snap ik wel zo’n beetje hoe het werkt en wat er allemaal bij komt kijken. Maar voor veel collega’s geldt dat ze in hun hele carrière misschien maar één of twee keer een bouwproject doen.’

Vastgoed als strategische kwestie

Een andere uitdaging voor besturen zijn de krappe budgetten. De Grunt is niet te beroerd om in zijn gesprekken met gemeenten te zeggen dat het gemiddelde atrium van een gemeentehuis heel wat luxer is uitgevoerd dan welk schoolgebouw dan ook. In datzelfde gemeentehuis wijst hij er – als het zo uitkomt – op dat de ambtenaren behoorlijk wat meer vierkante meters hebben dan de leerlingen van de school een paar honderd meter verderop. ‘Ik ben niet bang om het zo scherp te stellen, en dat weten de mensen bij de gemeenten ook van me. Ik wil uiteraard heel goed omgaan met het gemeenschapsgeld voor onze schoolgebouwen, maar het kan geen kwaad ook dit soort feiten te noemen. Daarin ben ik altijd heel straight.’

De Grunt herkent het beeld dat Wichert Eikelenboom in een ander interview op deze site schetst: schoolbesturen hebben er vaak moeite mee om voorbij het lekkende dak of de kapotte installatie te denken. Als bestuurder is De Grunt daarom ook net zo straight naar zijn scholen. ‘Vastgoed is een strategische kwestie, dus we houden de schoolleider uit het bouwproces. We zeggen: jij gaat over wat jullie onderwijskundig nodig vinden – daar ga ik namelijk weer niet over – en dat verwerken we in het programma van eisen. Het is dus aan de schoolleiders en de teams om hun onderwijskundige ideeën strategisch te benaderen. Voor hun input moeten ze nadenken hoe het onderwijs er over tien jaar uitziet. Wat is er dan nodig? Pas dan kunnen we de onderwijskundige voorwaarden vertalen naar huisvestingsplannen.’

Ieder z’n eigen rol

De Grunt ziet onderwijshuisvesting als teamwork, waarin ieder zijn of haar eigen rol heeft. Besturen zijn verantwoordelijk voor een duurzame kwaliteit van het onderwijs en gemeenten hebben een rol om daarvoor adequate huisvesting te realiseren. Deze twee verantwoordelijkheden krijgen pas vorm in een integrale kijk op de ontwikkeling van een dorp of een wijk. De Grunt: ‘Er is ook een woonvisie van de gemeente nodig. Als we een school van honderd leerlingen in stand willen houden, moeten er wel zo’n twaalf kinderen per jaar worden geboren. Ik bespreek dus ook met de gemeenten hoe zij een gemeenschap aantrekkelijk houden voor gezinnen en ervoor zorgen dat ouderen bijvoorbeeld kunnen doorstromen naar passende woningen. Die woningen kun je ook als tweede verdieping op je nieuwe school neerzetten.’

Als bestuurder gaat De Grunt al zijn gesprekken op strategisch niveau aan, met een integrale blik op de toekomst van een gemeenschap als geheel. En met oog voor de rollen van de verschillende betrokken partijen. ‘Ik investeer buitengewoon veel tijd in mijn relaties binnen de gemeente. Ik zeg: we staan voor een gezamenlijke opdracht en zijn in die zin elkaars collega’s.’ Zeker in kleine gemeenten zijn ook de andere besturen uiteraard belangrijke partners, besluit hij. ‘Het is niet meer realistisch om voor elke denominatie een eigen schoolgebouw te hebben, met daarnaast nog een openbare Dalton-school erbij. Ook hier staat het gemeenschapsbelang uiteindelijk voorop. Mijn oproep: laat onze bestuurdersego’s de samenwerking voor de kinderen én de samenleving niet in de weg staan.’

 

Versneld (ver)bouwen met bouwpakketten?

De uitdaging met betrekking tot toekomstbestendige onderwijshuisvesting  is enorm, aldus Bart de Grunt, die tevens lid is van de commissie samenwerkingsagenda onderwijshuisvesting van de PO-Raad, VO-raad en VNG. In deze commissie overleggen schoolbestuurders en gemeenten over de knelpunten rondom onderwijshuisvesting. De Grunt: ‘Er zijn 9.230 scholen in Nederland waarvan we niet precies weten welke al verduurzaamd zijn en welke niet. Als ze allemaal moeten worden aangepakt, is het bijna één schoolgebouw per dag! We staan dus voor een gigantische bouwopgave.’ En ook daarvoor moet je creatief durven denken, vindt De Grunt. ‘Waarom zetten we niet een landelijke pilot op om met een soort bouwpakketten te werken? We doen vaak een beetje schamper over Ikea-spullen, maar intussen staat elk huis in Nederland er vol mee. Als we echt meters willen maken, gaan we wat mij betreft scholen bouwen of renoveren met een paar goed ontworpen basispakketten. Want met de traditionele bouwwijze – met voor iedere school haar eigen, apart ontworpen mooie trap en dito gevelbekleding – gaat het ons simpelweg niet lukken.’