SOO Wijk bij Duurstede: Schoolbestuurder en schoolleider werken samen aan onderwijskwaliteit

Article type
Interview
Publication date

Onderwijskwaliteit maak je samen. Hoe doen schoolbestuurders en schoolleiders dat? Welke taakverdeling hebben zij en hoe versterken ze elkaar? In een duogesprek vertellen bestuurder Henny Sikken en schoolleider Jeanette Brinksma (Stichting Openbaar Onderwijs Wijk bij Duurstede) hoe zij gezamenlijk zorg dragen voor onderwijskwaliteit.

Henny Sikken is sinds vier jaar bestuurder van Stichting Openbaar Onderwijs Wijk bij Duurstede, een koepel van vijf openbare basisscholen in Wijk bij Duurstede, Cothen en Langbroek. Jeanette Brinksma is inmiddels drie jaar schoolleider van OBS Wijk, een school die zich onderscheidt in passend onderwijs. Zij werkt al zo’n twintig jaar bij de stichting en houdt zich veel bezig met kwaliteitszorg. 

Meer eigen verantwoordelijkheid

Henny Sikken
Henny Sikken

Henny Sikken: “Mijn visie als bestuurder is dat je kwaliteit alleen samen met mensen kunt bereiken. Toen ik hier begon, werden er aan alle vijf de scholen dezelfde eisen gesteld. En dat terwijl elke school een andere populatie heeft. Ik vind dat elke school voor zichzelf moet bedenken: wat wil ik bereiken en welke verwachtingen heb ik? Daarom gaf ik de verschillende schoolleiders meer tijd en ruimte voor het vormgeven van hun eigen kwaliteitsbeleid.” 

 

Jeanette Brinksma
Jeanette Brinksma

Jeanette Brinksma: “Als de kwaliteitsnormen van bovenaf bepaald worden, leeft de zorg voor kwaliteit niet bij iedereen. Nu ligt de verantwoordelijkheid bij de school en bij de leraren zelf. Zij kijken elke dag of dat wat ze doen het beste is voor de kinderen. Als dat niet zo is, passen ze hun aanpak aan. Onderwijskwaliteit is een continu proces, niet iets dat je alleen evalueert na de citotoets.” 

Sikken: “Ik wilde naar een meer proactieve benadering: voortdurend werken aan verbetering, niet pas actie ondernemen als het mis is. Ik ging in gesprek met de verschillende schoolleiders. Als iemand iets alleen maar deed ‘omdat het moest’, dan stopten we ermee. De schoolplannen werden bijvoorbeeld volgens een template gemaakt en bestonden vooral uit ‘knip- en plakwerk’. Dat vond ik niet zo nuttig. De resultaten staan in het leerlingadministratie- en -volgsysteem ParnasSys, die kan ik zo opzoeken. Die hoeven niet nog een keer in de template. We hebben met elkaar onderzocht welke dingen wel en niet nodig zijn.”

Brinksma: “Ik ben samen met mijn collega’s gaan kijken: wat is de minimale verplichting tot documenteren vanuit de Onderwijsinspectie en hoe gaan we de rest vormgeven? Op welke manieren willen we voldoen aan de kwaliteitseisen en hoe laten we dat zien? Onze leraren zijn bijvoorbeeld aan de slag gegaan met referentieniveaus. Daarmee weet je snel waar je staat.”

Sikken: “Er is natuurlijk wel een overkoepelend kwaliteitskader voor alle scholen, maar dat past op één A4’tje. Daar staat bijvoorbeeld op dat alle leraren goed zicht moeten hebben en houden op de kinderen. De invulling ervan is niet dichtgetimmerd. Dat kan ook helemaal niet. Wij zijn een kleine stichting en dan is het al lastig vijf neuzen dezelfde kant op te krijgen, hoe doen stichtingen dat die dertig scholen hebben? Volgens mij moet je ook helemaal geen uniformiteit willen; differentiatie en autonomie zijn belangrijk. Maar als een school het minder doet, ga ik natuurlijk wel het gesprek aan. ‘Hoe zou je het kunnen oplossen?’ ‘Welke hulp heb je nodig?’ Dan maken we afspraken.”

Brinksma: “Ja, dan zit je er wel meer bovenop.”

Sikken: “Dat soort gesprekken zijn niet altijd leuk, vooral wanneer iets of iemand niet goed functioneert. Toch moet je niet bang zijn iemand daarop aan te spreken. Als je het maar op een integere, nette manier doet, met oog voor de mens. Soms is wat ik als bestuurder wens en wat een directeur of leraar wil niet verenigbaar.” 

“Ik ben heel duidelijk: kinderen mogen niet de dupe worden van het sec sturen op resultaten, bijvoorbeeld. Je moet focussen op goed onderwijs. Dan kijk je breder dan de cognitieve resultaten alleen. Maar als deze niet op orde zijn, heb je wel een probleem omdat kinderen dan met onvoldoende bagage naar het voortgezet onderwijs gaan.” 

Brinksma: “We geven elkaar ook regelmatig feedback. Alle schooldirecteuren maken deel uit van het managementteam (MT) en daarbinnen kunnen we het best wel eens met elkaar oneens zijn. Maar juist daar komen goede dingen uit.”

Sikken: “Ik spreek de directeuren elke zes weken in het MT, en dan nog eens elke zes weken op vaste middagen op hun eigen school. Soms vaker, wanneer ze willen dat ik meedenk over een oplossing. Ja, we hebben best veel contact. Ik ken alle medewerkers. Al moet je als bestuurder ook weer niet té veel je gezicht laten zien, dan ondermijn je het gevoel van vrijheid en autonomie juist.”

Lessen delen

Brinksma: “We leren veel van elkaar en inspireren elkaar. Zo waren we op mijn school al gewend de resultaten met het hele team te bespreken. Sommige andere scholen lieten de intern begeleider een overzicht maken, die dat vervolgens alleen met de directie en de medezeggenschapsraad besprak. Nu kijken alle scholen minstens twee keer per jaar met het volledige team naar de resultaten en houden dan de onderwijsaanpak en de gebruikte methodes tegen het licht.”

Sikken: “We halen veel kennis van buiten, bijvoorbeeld door deel te nemen aan de expertgroep van de PO-Raad. Die kennis delen we weer in het MT. Ook IB’ers of bijvoorbeeld leraren hoogbegaafdheid delen hun good practices met dit team. En de onderbouw heeft een zogenoemd ‘Jonge kind-café’ waar de leraren van onze verschillende scholen ervaringen uitwisselen. Dat willen we nu ook organiseren voor de bovenbouw.”

Brinksma: “We hebben ook een groepsapp waarin we interessante informatie met elkaar delen. Dat gaat heel vanzelfsprekend en informeel: ‘Heb je dit al gezien?’ Er is geen concurrentie onderling. Ik heb bijvoorbeeld de auditopleiding van de PO-Raad gedaan en die audit eerst uitgevoerd op twee scholen binnen onze stichting. In alle openheid, zodat iedereen kan zien hoe we het doen.”

Sikken: “We zijn niet perfect, het kan altijd beter. Maar ik ben er wel supertrots op dat we het met elkaar voor elkaar krijgen op deze manier de kwaliteit steeds verder te verbeteren.”

Samenspel tussen bestuurder en schoolleider

Brinksma: “Mijn school is heel sterk in het bieden van passend onderwijs. Dat waren we al voordat er een wet op passend onderwijs was. We hebben in 25 jaar maar één kind hoeven doorverwijzen naar het speciaal onderwijs. Onze leraren kijken steeds naar wat een kind nodig heeft en daar organiseren we het onderwijs omheen.”

Sikken: “Dat past bij de stichting. Een van onze speerpunten is: ‘geen kind Wijk bij Duurstede uit’. We willen kinderen alles kunnen geven wat ze nodig hebben.”

Brinksma: “Omdat wij zo sterk gericht zijn op inclusief onderwijs, is de medewerking van andere instanties heel belangrijk. Iedereen wil het beste voor het kind, maar soms vinden externe hulpverleners bijvoorbeeld dat een iemand beter af is in het speciaal onderwijs. Wij vinden dat wij die zorg ook kunnen bieden, en bespreken dan wat er nodig is om deze leerling toch verantwoord binnen het regulier onderwijs te kunnen houden.”

Sikken: “Ik sluit dan bijvoorbeeld aan om te bespreken wat we kunnen doen om iets wél voor elkaar te krijgen. Ik vraag mezelf steeds af: wat kan ik doen en met wie moet ik dat doen om te zorgen dat er beweging komt? We zijn nu bezig met het integreren van sbo, so en basisonderwijs in één van onze scholen. Daarbij lopen we tegen allerlei financiële gevolgen en regels aan. Samen kijken we hoe we een probleem zo kunnen adresseren dat het wel lukt. Dat is voor ons samenspel.”

Taakverdeling

Brinksma: “Binnen grotere stichtingen heb je een aparte medewerker kwaliteitszorg. Bij ons is dat anders. Ik ben volledig verantwoordelijk voor de kwaliteitszorg in mijn eigen school én ik adviseer en ondersteun de andere scholen. Daarover overleg ik regelmatig met de andere schoolleiders, bijvoorbeeld in het MT. Ik houd me graag bezig met de ontwikkeling en de toekomst van het onderwijs. En ik vind het leuk om dingen uit te vogelen. Vaak ben ik degene die zegt: laat mij dat maar even uitzoeken.”

Sikken: “Jeanette heeft veel kennis en ze is heel praktisch. Zij had het coronaprotocol al klaar voordat het er was (lacht).”

Brinksma, lachend: “Ja, ik wist dat scholen ooit weer open zouden gaan, dus dan kun je er maar beter alvast over nadenken.”

Sikken: “Het is mijn verantwoordelijkheid als bestuurder om gebruik te maken van ieders kwaliteiten. Eigenlijk is het heel simpel: mensen willen gezien worden. Dat geldt voor kinderen én voor volwassenen.”

Brinksma: “Voor mij als schoolleider werkt het precies zo. Je wilt dat leraren doen waar ze goed in zijn en wat ze leuk vinden. Dan trekken ze hun collega’s vanzelf mee.”

Sikken: “Een paar jaar geleden hadden we een BBQ en daar riep ik op met goede ideeën te komen. Er was een leraar die goed was met ICT en die daar andere scholen in mee wilde nemen. Nu werken alle leraren en kinderen binnen de scholen met Cloudwise en alle kinderen op een eigen device.”

Brinksma: “Mensen blijven hier lang werken en dat komt echt doordat we onze kwaliteiten kunnen inzetten. Daardoor hebben we plezier in ons werk.”

Ambities voor de toekomst

Brinksma: “Onze inspectierapporten zijn allemaal goed, daar zijn we ontzettend trots op. Maar je bent toch bezig met constante verbeteringen. Zo willen we borgen waarmee we nu bezig zijn. Zorgen dat spelend leren en onderzoekend leren nog meer ruimte krijgen. En een nog betere samenwerking met bijvoorbeeld Jeugdzorg.”

Sikken: “Je kunt kwaliteitszorg nooit laten rusten; wat nu goed werkt kan over vier jaar niet meer werken. We willen echt inclusief onderwijs bieden, daar zijn nog steeds stappen in te maken. Dat kan bijvoorbeeld door het nog beter ondersteunen van bepaald gedrag, of door kinderen te begeleiden in verschillende ontwikkelingsfasen.”

Brinksma: “Het is belangrijk kinderen goed te zien en steeds te ondersteunen daar waar nodig. Je niet alleen te focussen op de lange termijn door te toetsen, maar ook op de korte cyclus, op wat er elke dag gebeurt in de klas zelf.”

Sikken: “En ik vind het belangrijk dat we binnen de sector veel meer met elkaar delen. We hebben de neiging alles nog veel te veel zelf uit te zoeken. Terwijl zoveel scholen met zulke goede dingen bezig zijn. Die zouden we veel meer moeten horen!”