Inspecteur Mark Oortwijn: ‘Scholen hebben veel ruimte om het onderwijs structureel anders te organiseren’

Article type
Interview
Publication date
Mark Oortwijn

Het lerarentekort in de grote steden Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht en Almere is zo nijpend dat scholen vanaf dit schooljaar noodplannen mogen uitvoeren. Zij krijgen van het kabinet de ruimte om tijdelijk passende maatregelen te treffen, zoals een andere dag- en weekindeling hanteren of leraarondersteuners en onderwijsassistenten laten inspringen. Maar welke ruimte hebben scholen, ook buiten de hiervoor genoemde G5, om het onderwijs structureel anders te organiseren? En welke rol speelt de Inspectie van het Onderwijs hierin?

“Sommige scholen denken dat ze van de Onderwijsinspectie van alles moeten en niet mogen. Ze voelen zich beperkt in hun vrijheid. Maar er is binnen de wet- en regelgeving gelukkig veel ruimte om het onderwijs anders te organiseren.” Aan het woord is inspecteur primair onderwijs Mark Oortwijn. Hij vindt het belangrijk om eventuele misverstanden uit de wereld te helpen en scholen te inspireren om nieuwe kansen te zien en buiten de kaders te durven denken.

Onbevangen aan de tekentafel

“We hebben lang geleden met elkaar bedacht hoe we het basisonderwijs willen inrichten. Eén leraar voor één klas, een onderbouw, middenbouw en bovenbouw en zes weken zomervakantie, omdat kinderen vroeger moesten helpen met oogsten. Het is niet makkelijk om dit soort oude ideeën los te laten, maar ik stimuleer schoolbesturen om dat wel te doen. Ga weer aan de tekentafel zitten en maak onbevangen een schets van hoe je het onderwijs wil organiseren, zodat jouw leerlingen er optimaal van profiteren”, zegt Oortwijn.

Nieuwe onderwijsvormen

Hij komt in het hele land al verschillende onderwijsvormen tegen als alternatief voor het jaarklassensysteem, zoals bijvoorbeeld unitonderwijs en Teamonderwijs Op Maat (TOM). “Scholen die hiervoor kiezen, werken met grotere groepen en gedifferentieerde, multidisciplinaire teams. Omdat zij de taken verdelen, hoeven zij minder leraren in te zetten. Onderwijsassistenten nemen bijvoorbeeld de begeleiding van het verwerken van de instructie op zich. En vakdocenten geven les in hun specialisatie, zoals techniek, sport en muziek. Ik zie ook steeds vaker dat docenten uit het voortgezet onderwijs worden ingezet. Denk aan een geschiedenisdocent die lesgeeft in groep vijf tot en met acht. Of dat basisschoolleraren zich specialiseren in een vak als taal, rekenen of wereldoriëntatie, en dit aan meerdere groepen geven.”

Een ander interessant voorbeeld van gedifferentieerde teams vindt hij het Integraal Kindcentrum (IKC), een voorziening waarin onderwijs, kinderdagverblijf, buitenschoolse opvang, peuterspeelzaal en welzijnsactiviteiten voor kinderen zijn samengevoegd. “Op IKC’s ontstaan mooie samenwerkingen tussen leraren en pedagogisch medewerkers, die elkaar aanvullen en van elkaar leren. Dit kan zorgen voor een lagere werkdruk.”

Innoveren vanuit visie

Toch zijn deze andere manieren van organiseren geen één-op-één-oplossing voor de hoge werkdruk en het tekort aan leraren, benadrukt hij. “Dit bleek ook uit het project Lerarentekort van de Onderwijsinspectie, waarin we dat mogelijke verband hebben onderzocht. Meestal vraagt een onderwijsinnovatie eerst meer mensen, tijd en geld. Dus je moet er als bestuurder of schoolleider alleen aan beginnen als het aansluit bij je visie. Je moet ervan overtuigd zijn dat het de kwaliteit van je onderwijs verbetert en dat het goed aansluit bij de behoeften van je leerlingen. Als je op den duur minder leraren nodig blijkt te hebben, is dat mooi meegenomen.”

Keuzes verantwoorden

Scholen mogen het onderwijs uiteraard ook op de traditionele manier blijven organiseren. Het doel van de Inspectie van het Onderwijs is effectief toezicht houden, zodat kinderen goed onderwijs krijgen, in acht jaar voldoende leren en veilig zijn. Hoe scholen dit realiseren is helemaal aan hen. “Sinds augustus 2017 richten we ons in het toezicht vooral op schoolbesturen. Tijdens ons bezoek vragen we naar hun ambities en doelen. Wij vinden het belangrijk dat zij hun keuzes kunnen verantwoorden. Waarom kiezen ze voor een bepaald concept? Hoe profiteren leerlingen hiervan? Op welke manier meten ze of ze op de juiste weg zitten? Pas als de onderwijskwaliteit op een school onvoldoende blijkt te zijn, pakken we de wet- en regelgeving erbij om de oorzaak hiervan te achterhalen. We gaan dus niet op bezoek om dingen af te vinken, maar om besturen en scholen verder te helpen”, legt Oortwijn uit.

Ruimte in regels

Voor scholen die hun onderwijs graag anders willen organiseren, maar niet weten welke ruimte er is binnen de wet- en regelgeving, heeft de Inspectie van het Onderwijs samen met het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) de brochure ‘Ruimte in Regels’ opgesteld. Hierin staat een overzicht van de belangrijkste regels rond administratie en verantwoording, en antwoorden op veelgehoorde vragen.

“Bijna op elke vraag die begint met ‘moeten we’ is het antwoord ‘nee’. De wet schrijft bijvoorbeeld niet voor hoe leraren lessen voorbereiden en een dagplanning maken, hoeveel en welke toetsen zij afnemen en welke leerstof zij in welk leerjaar behandelen”, vertelt Oortwijn. “Een eindtoets is wel verplicht. Net als het bijhouden van de ontwikkeling van leerlingen en het aanbieden van kerndoelen, maar er staat niet bij hoe zij dat moeten doen. Ik vind dat we in Nederland een beetje verwend zijn door methodes die precies zeggen wat er in de klas moet gebeuren. Het risico hiervan is dat leraren minder zelf nadenken. Dat is vergelijkbaar met de navigatie in een auto. Als je enkel op de navigatie rijdt, weet je opeens niet meer waar je bent.”

Gebruik van wetenschappelijk onderzoek

Oortwijn raadt scholen aan om zich goed in hun leerlingpopulatie te verdiepen, doelen heel concreet te maken en creatief en vrij na te denken over de weg daarnaartoe. En om hierbij wetenschappelijk onderzoek te gebruiken. “Als innovaties wetenschappelijk onderbouwd zijn, hebben ze meer kans van slagen. Zo hoorde ik over een school die met 10-14 Onderwijs werkt en gebruik maakt van wetenschappelijk onderzoek om hun onderwijs te verbeteren. Leerlingen op 10-14-scholen krijgen van po- en vo-leraren les in een doorlopende leerlijn. Zij gaan niet na groep acht naar het vo, maar pas na hun veertiende, zodat ze meer tijd hebben om te ontdekken waar hun talenten liggen en wat bij hen past. Op deze school werken ze niet alleen met een team van po- en vo-leraren, maar bestaat de helft van het personeel ook uit leraren in opleiding. Dit is een bewuste keuze, omdat uit een van hun onderzoeken bleek dat het waardevol kan zijn om samen te werken met de pabo en om leraren in opleiding in te zetten. Zij bleken verfrissende en bevlogen ideeën te hebben over anders organiseren.”

Experiment 10-14 Onderwijs

Het 10-14 Onderwijs is een goed voorbeeld van buiten de kaders denken binnen de kaders van de wet, vindt Oortwijn. “De po- en vo-scholen werken samen binnen twee wetgevingen. Het ministerie van OCW onderzoekt momenteel met een pilot van twaalf scholen wat hiervan de succesfactoren zijn en waar zij tegenaan lopen. In welke mate zijn leraren en schoolleiders in staat om veranderingen te realiseren? En wat is de tevredenheid van leerlingen, leraren en de schoolleiding?

Ook de pilot teambevoegdheid waarmee deze scholen mogen werken, is interessant om te onderzoeken. Een experiment van het ministerie maakt het mogelijk dat 10-14-leraren gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor het onderwijs dat zij geven, zonder dat iedere leraar hiervoor dezelfde bevoegdheden moet hebben. De bevoegdheden van de leraren gezamenlijk vormen de bevoegdheid van het team als geheel. Dit vergroot de inzetbaarheid van leraren over de onderwijssoorten heen. Mocht het goed blijken te werken, wordt teambevoegdheid misschien wel mogelijk voor alle basisscholen in Nederland.”

Blijven monitoren en evalueren

Als het gaat om kwaliteitszorg, oftewel het bewaken en verbeteren van de onderwijskwaliteit, noemt Oortwijn dit soort onderzoeken en experimenten essentieel. “Ik raad scholen aan om systematisch te monitoren en evalueren, zodat een innovatie echt wordt geborgd. Zit je nog op de goede weg? Waarom werkt de nieuwe aanpak voor sommige leerlingen wel en voor andere niet? Op basis van goede analyses kun je blijven bijsturen en stappen in de juiste richting blijven zetten.

Houd dus vooral heel goed voor ogen wat je doelen zijn en onderzoek of je die behaalt. Anders organiseren is geen doel op zich, maar slechts een middel om de onderwijskwaliteit te verbeteren. En ik zie in de praktijk dat scholen waar het goed gaat en waar gemotiveerde mensen werken automatisch meer nieuwe leraren aantrekken en leraren behouden.”

Oplossingen bij overmacht

Voor schoolleiders en bestuurders die tijdelijke noodmaatregelen moeten nemen om het acute lerarentekort op te vangen, hebben de Inspectie van het Onderwijs en het ministerie van OCW de Handreiking Lerarentekort opgesteld. Deze brochure is een hulpmiddel bij het maken van keuzes als de nood hoog is.
Mark Oortwijn: “We beschrijven hierin wat mogelijk is binnen de wet en wat scholen kunnen doen bij overmacht. Zij mogen noodmaatregelen nemen, maar moeten wel een plan maken met duurzame oplossingen. We begrijpen dat je geen ijzer met handen kunt breken, maar ze moeten op termijn weer voldoen aan de wet.”