Samen onderwijsassistenten opleiden: hogere onderwijskwaliteit, minder werkdruk

Article type
Interview
Publicatiedatum

De tijd dat een onderwijsassistent alleen de potloden mocht slijpen is voorbij en het aantal onderwijsassistenten is de afgelopen jaren dan ook exponentieel gegroeid. Door samenwerking tussen opleiding en onderwijsveld wordt het beroep snel volwassen, en kunnen onderwijsassistenten bijdragen aan beter onderwijs.

Koen Hölscher
Koen Hölscher

Welke kwaliteiten zoekt het onderwijsveld precies, bij de onderwijsassistenten? Hoe weten de mbo-opleidingen wat het werkveld nodig heeft? En weet datzelfde werkveld eigenlijk wel wat een onderwijsassistent allemaal kan en weet? Hoe wordt er geëxamineerd? Wat houdt het Kwalificatiedossier in? Om dit soort zaken af te stemmen is er uitwisseling tussen opleiding en werkveld op allerlei niveaus. In Utrecht bijvoorbeeld: Koen Hölscher (afdelingsmanager Pedagogisch Werk & Onderwijs bij ROC-Midden Nederland) en Thea Streng (schoolleider OBS Tuindorp en de Prinses Margrietschool) kennen elkaar. “Vroeger was er veel contact tussen onze opleiding en de schooldirecteuren, tegenwoordig praten we vooral met de schoolopleiders op de scholen”, vertelt Koen Hölscher. “Zo pikten we bijvoorbeeld op dat scholen onderwijsassistenten willen kunnen vragen om zelfstandig groepjes te begeleiden en instructie te geven. Dat vraagt om complexe vaardigheden, we leiden onze studenten daar nu in kleine stapjes voor op.”

Korte lijnen

Thea Streng
Thea Streng

Het ROC is onlangs gestart met een nieuwe werkwijze: in plaats van mentoren of studiebegeleiders is het nu een vaste ploeg docenten die vanuit het ROC de studenten op de basisscholen begeleidt. Hölscher: “Dat zijn dus ook de vaste contactpersonen voor de basisschool.” “Jullie hebben net als wij de begeleiding geprofessionaliseerd”, vult schoolleider Thea Streng aan. “Onze schoolopleiders begeleiden de studenten bij ons op school. We zetten daar specialisten op die de lijntjes met het ROC kort houden.” Zo wordt de samenwerking steeds professioneler en structureler. Hölscher: “Nu kunnen we samen lijnen uitzetten en tips van elkaar meenemen.”

Daarnaast organiseert het ROC vier keer per jaar werkveldbijeenkomsten rond thema’s als examinering en begeleiding. “Bij vragen vanuit het veld zoeken we uit: is dit een individuele vraag van een school of zijn er meer? Scholen wisselen daar onderling ook uit.” Streng: “We leren ook van elkaar; elke ontmoeting is er een.”

Samen onderwijs maken

Ook in Arnhem is er veel overleg tussen het mbo en po, vertelt Mark Meijering. Hij kent beide kanten van de medaille, want behalve Teamleider Onderwijs bij Rijn IJssel is hij ook bestuurder van Stichting Poolsterscholen. “Wij voeren vanuit Rijn IJssel veel gesprekken met bestuurders en schooldirecteuren, zowel regionaal als landelijk, en we stemmen veel af in werkveldadviescommissies. Neem het vernieuwde Kwalificatiedossier, dat we vertalen in leereenheden. Elk jaar herijken we ons curriculum op basis van onze contacten met scholen. Zo maken we samen het onderwijs.”

Utrecht Leert

In beide regio’s, Arnhem en Utrecht, wordt de samenwerking mbo-po de komende tijd flink opgeschroefd. Thea Streng is – naast schoolleider – de projectleider van Anders Leren en Organiseren, een projectgroep van Utrecht Leert. “Met Utrecht Leert zoeken de 17 Utrechtse schoolbesturen en 101 basisscholen samen naar een oplossing voor het lerarentekort. Met onze projectgroep willen we de samenwerking met het mbo meer diepgang geven om een nog mooier beroepsprofiel voor de onderwijsassistent neer te zetten. Zodat die een meer gewaardeerde plek in het onderwijs krijgt.”

De verwachting is dat po-scholen en mbo-opleidingen elkaar meerdere keren per jaar gaan ontmoeten. Ook Koen Hölscher is daar blij mee. “Voor het ROC is het lastig om alle besturen aan tafel te krijgen. Nu hebben we toch een gesprekstafel; we hebben veel gezamenlijke agendapunten en gaan allemaal voor beter onderwijs. Het is fijn dat schoolbesturen mandaat en ruimte geven om ook op praktijkniveau goed af te stemmen.”

Praktijkleerroute

Ook in Arnhem gaat er een tandje bij, in de samenwerking met de besturen. Mark Meijering: “Met een aantal schoolbesturen hebben we een praktijkleerroute ontwikkeld. Daarbij krijgen studenten een dag per week les op het ROC; de andere vier dagen leiden onze docenten hen op op de stageschool, met maximaal 24 studenten tegelijk. Op deze manier krijgen schoolbesturen de kans om hun eigen sausje over ons curriculum te gieten. Ik verwacht dat we zo nog meer samen kunnen opleiden, nog meer zwaluwstaarten, nog beter inspelen op de actualiteit.”

Focus

De ontwikkelingen zijn in lijn met aanbevelingen die de Onderwijsraad formuleert in haar adviesrapport Tijd voor focus (maart 2021): breng meer focus aan in de werkzaamheden van leraren én investeer in meer handen in en om de klas, want als er te veel verantwoordelijkheden op de schouders van individuele leraren liggen, komen die niet goed toe aan het geven en ontwikkelen van onderwijs. Meer differentiatie in de verdeling van werkzaamheden en beter gebruikmaken van de expertise van ondersteunende professionals zoals onderwijsassistenten, vakleerkrachten en andere specialisten, moet helpen om de werkdruk te beperken, verwacht de Raad.

“Met kleine groepjes werken, meer individuele aandacht geven: dan kan een onderwijsassistent heel nuttig zijn”, ziet Streng. “Sommige taken passen beter bij een ondersteuner dan bij een leraar.” Sterker nog: in sommige dingen is een onderwijsassistent vaak beter dan een leraar, vindt Meijering. “Waar een leraar beter opgeleid is in didactiek, is een onderwijsassistent vaak beter in de opvoedkundige, pedagogische kant van het werk.”

Passend onderwijs

Een van de onderwerpen raken aan de aanbevolen focus in de werkzaamheden, is inclusiviteit. Omdat Passend Onderwijs complex is zouden niet alle taken die daarmee gepaard gaan op het bord van de leraar moeten belanden: goede ondersteuning van de leraar draagt bij aan de onderwijskwaliteit.

Mark Meijering vertelt dat ook op dit vlak opleiding en werkveld veel uitwisselen: “Door Passend Onderwijs hebben scholen meer dan vroeger behoefte aan onderwijsondersteuners die goed kunnen werken met leerlingen met bijvoorbeeld ADHD, ADD of PDD-NOS. Daarnaast zijn we nu bezig met vitaliteit en gezondheid. We maken onze studenten bewust van hun eigen leefstijl zodat ze met dit onderwerp aan de slag kunnen tijdens hun stages.”

Anders organiseren

Grotere groepen begeleid door twee leraren en een onderwijsassistent (of door een leraar met twee onderwijsassistenten): door het onderwijs op deze manier anders te organiseren, kunnen onderwijsassistenten de kwaliteit van het onderwijs helpen verbeteren en zijn ze tegelijkertijd een belangrijke troef in de strijd tegen het personeelstekort. Mark Meijering merkt dat scholen in Arnhem minder belangstelling hebben voor het opleiden van en werken met onderwijsassistenten dan scholen in aanpalende gemeenten. “In de stad komen er jaarlijks genoeg nieuwe leraren bij, maar daarbuiten moeten besturen harder zoeken. Vaak hebben ze een andere visie op onderwijs en werken ze met IKC’s zodat ze onderwijsassistenten kunnen aannemen die ook in de naschoolse opvang aan de slag kunnen.” In Utrecht faciliteren ze dit al tijdens de stages, vertelt Thea Streng. “Studenten beginnen bijvoorbeeld om half 11 op school en werken door tot kwart over 6 op de opvang. Zo bieden we meteen de kinderen een doorgaande lijn.” De onderwijsassistenten zijn dan de verbindende schakel, ze kennen beide organisaties en de kinderen.

Een structurele plek in de school

Daarnaast kunnen onderwijsassistenten natuurlijk helpen de werkdruk te verlagen. Dat werkt vooral als je het onderwijs echt anders organiseert met een structurele rol voor onderwijsassistenten naast leraren – alleen een enkele leraar een onderwijsassistent geven zet minder zoden aan de dijk, verwacht Koen Hölscher. Hij droomt van meer functiedifferentiatie, iets dat past bij een beroep dat volwassener wordt: “Onderwijsassistent worden was vroeger een voortraject voor de pabo. Nu is het echt een zelfstandig beroep. Ik zou graag een functiedifferentiatie en functiegebouw zien met niet alleen ruimte voor werknemers met een pabo-diploma, universitaire pabo of masteropleiding, maar ook voor werknemers die gespecialiseerd zijn als onderwijsassistent. Dit zou een belangrijke sleutel tot de werkdrukverlaging kunnen zijn.” Bijkomend voordeel van de opwaardering van het beroep: Hölscher verwelkomt de laatste jaren meer jongens en meer studenten met een migratie-achtergrond op de opleiding. Ook Streng ziet iets veranderen: “Jullie studenten hebben meer zelfvertrouwen dan vroeger.”

Elkaar waarderen

Tips voor schoolbestuurders hebben Streng, Hölscher en Meijering ook. Besturen mogen best wat innovatiever denken, vindt Mark Meijering. “Het zou goed zijn als ze de diversiteit in school wat meer zouden omarmen. De docent moet van zijn troon af, we moeten de onderwijsassistent zien als gelijkwaardige collega. Als teamleden inzien dat iedereen even belangrijk is, en ieder waardeert elkaars kwaliteiten, dan ontstaat er vanzelf synergie.” Hij vindt het belangrijk dat het werkveld de meerwaarde van zijn afgestudeerden ziet. “Er is een drang naar hbo’isering van de maatschappij. Dat vind ik kwalijk, mbo’ers vormen de backbone van onze samenleving.”

Als bestuurder kun je het goede voorbeeld geven, merkt hij. “Als ik vanuit mijn rol als schoolbestuurder een school bezoek, dan vind ik het nuttig om niet alleen met de directie te praten maar ook met leraren, onderwijsassistenten en kinderen.” Koen Hölscher vraagt bestuurders ook om oog te hebben voor de complementariteit. “Neem de coronatijd, toen de scholen dicht moesten. Onderwijsassistenten hielpen bij de noodopvang en ontlastten daarmee de leraar, die daardoor aandacht kon besteden aan de online lesgroepen. Dat is óók anders organiseren.” Thea Streng pleit er net als Meijering voor om de hiërarchie uit de samenwerking te halen. “Neem onderwijsassistenten serieus, noem ze gewoon ook juf of meester en behandel hen als volwassenen.”